Tagarchief: Leren

Hoe verhoud ik me tot mijn bronnen?

Een nieuwe tekst (→ Korte teksten): Hoe verhoud ik me als
trainer, 
coach, begeleider of mediator 
tot mijn bronnen?

De trainers, begeleiders, coachen en mediators die ik ken, vertonen allemaal een verschillende verhouding tot hun ‘bronnen’.
Ik ontmoet mensen die een lange en gedifferentieerde leerweg hebben afgelegd. Anderen bieden een training of een coaching aan nadat ze één boek hebben gelezen en menen op deze manier voldoende van de methode te kennen om het aan anderen aan te leren.
De deelnemers aan mijn trainingen gaan met de inzichten, de aanpak en het materiaal dat ik aanbied op verschillende manieren aan de slag. Sommigen nemen het zeer ernstig. Anderen hebben amper aandacht voor de kern van de zaak en menen na een uur reeds dat ze hét hebben begrepen.
Iedere competente trainer is uitstekend tot zeer goed op een bepaald terrein en behoorlijk tot goed met nog een aantal andere methoden. Een bekwame trainer beperkt zich niet tot een enkele methode. Het zijn daarenboven uitzonderingen die op alle terreinen die ze aanbieden dé specialist, dé expert zijn.
Een beperkt aantal onder hen wordt zelf bronontwerper.

Vraag van de week (52)

Welke vraag heeft je ooit weggeleid van een ‘efficiënte’ aanpak om uiteindelijk tot een ‘inefficiënte’ maar innovatieve weg te leiden?

Welke vraag die tegen de stroom (tegen je denkspoor) inging, bracht je op een pad dat je zelf nooit zou hebben gezien? Welke ‘zeer vreemde’ vraag zette een venster open dat je een gans andere kijk op de zaak gaf? Welke vraag klonk zo absurd dat je achteraf verbaasd was dat ze zo snel de duisternis kon verdrijven en een nieuw licht doen schijnen op de uitdaging?
Een handige ‘vreemde’ vraag is de niet-bevestigende vraag.
De meeste vragen die je stelt zijn bevestigende vragen. Je vertrekt van wat je reeds weet, of beter, meent te weten. Je wilt enkel bevestiging dat je op de juiste weg bent, dat je op de goede manier denkt. Vragen als: “Welke oplossingen stel je voor?”, “Welke gegevens heb je gevonden?”, “Welke oplossingen werkten in het verleden?”, “Wat zijn de gegevens die deze situatie ernstig maken?” enz. zijn bevestigende vragen. Ze houden jou en de persoon aan wie je de vraag stelt in jullie actuele denkspoor.
Niet-bevestigende vragen werken in de andere richting: “Welke oplossingen heb je overwogen maar heb je uiteindelijk niet gekozen?”, “Welke mogelijke oplossingen heb je in de prullenmand geworpen?”, “Welk gegevens zijn volgens jou niet relevant en heb je geschrapt?”, “Welke oplossingen hebben in het verleden niet gewerkt en weet je ook waardoor?”, “Welke gegevens zorgen er voor dat je ziet dat de situatie hoegenaamd niet ernstig is?”, “Welk element, om het even in welke oplossing, zou de situatie doen exploderen?” “Wat zijn de voordelen van een explosie van de situatie?”
Wanneer je geen enkele geweigerde oplossing in je prullenmand hebt zitten, heb je meer dan waarschijnlijk niet goed gezocht. Je hebt enkel gezocht in een gebied dat je reeds bekend is. Werkelijk out-of-the-box denken betekent dat je op z’n minst de grenzen van de box hebt afgetast. Dat kan ik enkel merken als je ook ‘inefficiënte’ oplossingen hebt bekeken en duidelijk hebt gemaakt om welke reden je ze hebt verworpen. De ervaring leert dat soms een zeer goede oplossing in de prullenmand zit.
Leer ogenschijnlijk niet-efficiënte vragen te stellen. Ze zijn efficiënt om het denken te stimuleren en je te hoeden voor de klassieke denkfouten. Innovatie begint wanneer je uit een ingesleten denkspoor stapt.
(Daniel Kahneman, Ons feilbare denken (Thinking, fast and slow), Business Contact 2014.
“Het doel van het boek is het versterken van ons vermogen om beoordelings- en keuzefouten te herkennen en te begrijpen, bij anderen en uiteindelijk bij onszelf, door een rijkere en preciezere taal aan te bieden om deze fouten te bespreken.”)

Welke bijdrage levert onrust aan mijn ontwikkeling?

De ontwikkeling van individuen, groepen en organisaties toont een voortdurende beweging, een niet ophoudende stroom van in- en uit-ademen, groter worden en krimpen, verschijnen en verdwijnen, ontmoeten en afscheid nemen, actie en rust, groeien en afslanken, vernieuwen en vernietigen, geboren worden en sterven, constructie en deconstructie.
We willen echter graag stabiliteit en een constante groei. ‘Vooruitgang’ zowel op persoonlijk als op sociaal of economisch vlak zien we vandaag veelal als gestaag bergop gaan.
Zo verloopt de ontwikkeling echter niet, noch enkelvoudig opwaarts, noch staps-gewijs, noch spiraalsgewijs. 
Ontwikkelen is als het vorderen in een berglandschap. Een top bereik je niet in een rechte lijn naar boven maar zigzaggend.
Je zult ook steeds naar het dal moeten terugkeren om je weg te vervolgen en een volgende hoogte te bereiken. Daarbij is dalen net zo belangrijk en vaak moeilijker dan stijgen.
Het landschap bestaat niet uit één enkel berg maar uit een veld van bergen, klein en groot.
Je kiest welke je volgend pad zal zijn dan wel of je een tijdje in het dal blijft rusten.
Iedere ontwikkeling verloopt tussen perioden van rust en onrust.
Maar niet iedere ‘rust’ is even constructief en niet iedere ‘onrust’ is even destructief.Bij verstarrende rust mag er niets bewegen. Voor een buitenstaander is het slechts ogenschijnlijk rust. Pijnlijke onrust werkt verlammend. Bij stabiele rust ervaren de meeste mensen ‘rust’. Vanuit stabiele rust kan het steeds zowel terug neerwaarts naar pijnlijke onrust evolueren als opwaarts naar constructieve onrust. 
Constructieve onrust is nodig om verder te kunnen ontwikkelen. Dan kunnen we bewegende rust bereiken.
De weg is lang en gaat langs vele dalen en pieken en af en toe kunnen we dan even gezonde onrust én diepe innerlijke rust ervaren, voorbij bewegende rust.
Niets blijft voor lange tijd stabiel, ook stabiele rust niet. Op een dag moet je er uit of je verkilt en daalt naar pijnlijke onrust. Zelfs verstarrende rust beweegt, het gaat steeds meer verharden.
Dit beeld gaat op voor iedere ontwikkeling, zowel die van een individu, van een groep, een organisatie, een bedrijf, een gemeenschap, een cultuur of een land.
Iedere revolutie baart een contra-revolutie, iedere ‘stabiele’ toestand creëert de voorwaarden voor een volgende periode van instabiliteit en zelfs chaos.

In je leven spelen verschillende thema’s een rol, bv.: een relatie aangaan, een familie of een groep vormen, genieten, waarden verdedigen, zin en betekenis geven, kennis verzamelen, leren en opleidingen volgen, problemen oplossen, omgaan met verlies, een bijdrage leveren, een project opzetten, iets ondernemen, inkomen of aanzien verwerven, enz.
Ieder thema kent een andere (leer)weg door dit landschap en een ander (leer)ritme: hoger opwaarts of dieper neerwaarts, intenser, rustiger, korter, langer, dieper, oppervlakkiger.
Je ontwikkelt bovendien tegelijkertijd op meerdere levensgebieden, maar niet in een gelijk tempo: fysiek, sociaal, emotioneel, intellectueel, psychisch en relationeel. Bij opgroeiende kinderen is dit makkelijker waarneembaar. Vergis je echter niet, bij volwassenen en zelfs ouderen blijft de ontwikkeling op al die terreinen duren én in een verschillend tempo.